Sara Van Poucke

Caravaggio en aartsbisschop Léonard

27 / 05 / 2010

Ik heb het geluk een tijdje in Rome te kunnen verblijven. Dik twee weken -deels als journalist, deels als toerist. Vooraf leek het riant, zeker vergeleken bij het traditionele vijftal dagen dat doorgaans voor een citytrip wordt uitgetrokken. Maar al na amper drie dagen begon de stress die de Italiëreiziger wel vaker treft de kop op te steken: er is zo immens veel te ontdekken en te bewonderen!

Da non perdere’, zoals de Italianen zeggen, was in elk geval de prestigieuze Caravaggio-tentoonstelling, net zo indrukwekkend als de enthousiaste recensies lieten vermoeden. Caravaggio liet geen bijzonder omvangrijk oeuvre na (hij is dan ook maar 39 geworden), maar sommige van de schilderijen die in Rome te zien zijn, zijn zo aangrijpend dat je er minutenlang naar staat te staren. Dat geldt vooral voor de bijbelse taferelen, wellicht omdat Caravaggio als ‘verteller’ het best tot zijn recht komt. Hij weet de essentie van een heel verhaal meesterlijk te vatten in één scène.

Nu is het wel handig als je die verhalen ook ként. Zelf ben ik, struinend langs Caravaggio’s meesterwerken, tot de conclusie gekomen dat het met mijn kennis van Bijbelse thema’s toch maar pover is gesteld. Ik heb nog geluk dat ik een niet-kerkelijke opvoeding kan inroepen als excuus, maar ik heb zo een vermoeden dat ook wie zijn hele schoolcarrière lang godsdienstlessen heeft gevolgd, weinig méér weet over de verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament.

Godsdienstlessen

En zo moest ik uitgerekend in Rome denken aan aartsbisschop Léonard en zijn oproep om van de godsdienstlessen weer echte godsdienstlessen te maken. Nu heeft de man al veel uitspraken gedaan die velen deden steigeren, maar deze keer leek zijn bewering mij niet onnozel. Eerder consequent. Hij had het expliciet over het katholiek onderwijs. Daar mag je logischerwijs verwachten dat er katholieke godsdienst wordt gedoceerd en dat de kerkelijke macht er nog een vinger in de pap heeft. Wie zich daar ongemakkelijk bij voelt, moet maar óók consequent zijn en een ander onderwijsnet kiezen, waar godsdienst geen verplicht onderdeel is van het programma. Wordt de consequentie tot het uiterste doorgevoerd, dan krijg je trouwens een systeem waarin verschillende netten, gesubsidieerd door de staat, gewoon niet meer bestáán. Waarin godsdienstonderricht uit het reguliere onderwijs verdwijnt en nog enkel door de kerken wordt georganiseerd. Of het ooit zover komt, is nog maar de vraag: vooralsnog is Vlaanderen veel te verknocht aan ruzietjes tussen ‘seuten’- en ‘crapuulscholen’.

Passé composé

Maar goed, dat is maar één discussie waar de oproep van de aartsbisschop aanleiding toe kan geven. Een andere is of de pedadogische lijn waarbij steevast vertrokken wordt van de leefwereld van de jongere wel altijd zinvol is. Als dat het voornaamste uitgangspunt is, kom je al snel terecht in godsdienst zonder Jezus en Frans zonder passé composé.

Zelfs als het toch ooit zover komt dat godsdienst als vak uit het reguliere onderwijs verdwijnt, zou het natuurlijk onzin zijn om zomaar alle kennis van religies overboord te gooien. Ik denk dat ‘levensbeschouwing’ (Kristien Bonneure heeft er in een oudere blog een mooie invulling aan gegeven) makkelijk zou kunnen uitgroeien tot het favoriete vak van veel leerlingen. Dat de christelijke godsdienst daarin meer plaats zou toegemeten krijgen dan pakweg het boeddhisme, lijkt me dan niet meer dan logisch. Het is in de eurocentrische lessen geschiedenis en kunstgeschiedenis niet anders.

Ik heb in deze blog een discours-tje opgerakeld dat intussen allang weer naar de achtergrond is verdwenen, ik weet het. Maar ik weet ook dat ik wellicht nóg meer van de Romeinse Caravaggiotentoonstelling had genoten als ik bijvoorbeeld goed wist wie de ‘Emmausgangers’ waren.


@Allen: uw reactie is welkom als u zich houdt aan de regels voor deelname aan onze discussieforums – mod

Misplaatst

13 / 05 / 2010

Het jaar is nog niet eens halverwege, maar de journalist die een overzicht van 2010 zou moeten maken, zou nu al niet weten waar te beginnen. Europese landen staan aan de rand van het failliet, de eurozone wankelt. Bestuurlijk en kerkelijk gezag verliezen het laatste povere restje geloofwaardigheid. De aarde beeft en braakt vuiligheid uit. ‘Apocalypse now’: een jaaroverzichtjournalist met zin voor drama kan die titel misschien lenen voor zijn werkstuk.

Ook bij Van Dale heeft de jaarlijkse zoektocht naar het ‘woord van het jaar’ ongetwijfeld nu al een aardig lijstje met hele en halve neologismen opgeleverd. Staat vast en zeker in het rijtje:
pedopriester’. Het woord wordt intens gebezigd in de krant De Morgen, die zich in het weinig verkwikkelijke onderwerp heeft vastgebeten. Hier en daar zullen criticasters (wellicht niet eens geheel onterecht) opmerken dat als er voor ieder ander thema evenveel journalistieke ijver aan de dag werd gelegd, het er voor de onderzoeksjournalistiek niet slecht zou uitzien. Dit gezegd zijnde, is het natuurlijk niet meer dan terecht dat de pers een handje helpt om de stal uit te mesten. De kerk zelf heeft dat decennialang verzuimd.

In haar weekendeditie pakte De Morgen uit met fragmenten uit vijf dossiers van de commissie die van 2000 tot 2008 seksueel misbruik binnen de kerk onderzocht. Wat daaruit naar voren komt -sussende woorden, misplaatste morele superioriteit, hypocrisie, omertà- is absoluut niet nieuw, maar het kan geen kwaad om het nog eens zwart op wit gedrukt te zien.

Mevrouw Polanski

Wél wat verrast was ik toen ik de krant verder doorbladerde. In het volgende katern was namelijk een interview te lezen met Emmanuelle Seigner, mevrouw Roman Polanski. De gevierde Pools-Franse regisseur zit al een tijdje vast in huisarrest, zoals u ongetwijfeld weet. Hij en de Brugse bisschop Vangheluwe kunnen niet verschillender zijn, en toch hebben ze één ding gemeen: ze zijn schuldig aan dezelfde misdaad.

Vanzelfsprekend is het ene dossier het andere niet. Decadente Hollywoodparty’s versus de preutse West-Vlaamse huiselijke kring, een notoir liefhebber van (te) jonge meisjes versus een vrome geestelijke met verondersteld moreel gezag. En toch leest het interview met mevrouw Seigner op zijn zachtst gezegd een beetje ongemakkelijk, zeker na de pagina’s die het voorafgaaan. De aanklachten die Polanski aanvankelijk ten laste werden gelegd staan er opgesomd: obscene handelingen uitvoeren met een persoon jonger dan veertien, verkrachting van een minderjarige, verkrachting met gebruik van drugs, orale copulatie en sodomie. In welke context het ook gebeurt, een akkefietje is dit nooit.

Het was anders

’Het was niet iets wat me stoorde’, antwoordt Seignier op een vraag over het kindermisbruik. ‘Ik besef dat het andere mensen misschien choqueert. Maar het was anders in de jaren 70. Er was meer vrijheid op het vlak van seks en drugs’. De kop boven het artikel luidt: ’Ik weet wie hij is, intiem. Hij is niet in staat om iemand pijn te doen’. Dat laatste zinnetje is wellicht iets wat ook Vangheluwe zichzelf wijsmaakt. Hoe verschillend de twee contexten ook zijn, in wezen gaat het om hetzelfde: machtsmisbruik. Niet alleen van een volwassene tegenover een kind, ook van daders die ieder in hun eigen wereld hoog aangeschreven staan, en zich dus net iets meer kunnen veroorloven dan de doordeweekse sukkel.

Wat pleit voor Polanski en zijn wereld, de film- en kunstscene, is dat zij niet verdonkeremanen of de morele gids uithangen -wat het instituut kerk sinds haar bestaan wel altijd heeft gedaan, met alle uitwassen vandien. Polanski is verre van een heilige, maar in elk geval is hypocrisie hem vreemd (in die mate zelfs dat hij het nooit nodig heeft geacht om zich voor zijn misdrijf te verontschuldigen).

Dat neemt niet weg dat de publicatie van het interview met mevrouw Seigner, enkele pagina’s na de getuigenissen over kindermisbruik in de kerk, ongelukkig was. Mispláátst, letterlijk.

@Allen: uw reactie is welkom als u zich houdt aan de regels voor deelname aan onze discussieforums – mod

Niet wéér!

29 / 04 / 2010

Reizen, het geeft me altijd een beetje een dubbel gevoel. Het is heerlijk, natuurlijk, even elders zijn, een andere taal horen, onbekende gerechten proeven, genieten van natuur en cultuur. En van de zon, uiteraard, want hoewel ik graag geloof dat Ierse pubs en Noorse fjorden meer dan de moeite lonen, toch trek ik als puntje bij paaltje komt het liefst naar mediterrane oorden. Niet alleen wegens het klimaat, ook omdat het leven er minder strikt en gestructureerd lijkt, met meer ruimte voor schwung en improvisatie. Je went als Noord-Europese toerist snel aan dat minder strakke ritme, zodat je de illusie koestert dat je dáár pas de mens bent die je eigenlijk zou willen zijn.

Veranderd ben je niet

Daar wringt het schoentje al, want terug thuis is het altijd even ontnuchterend om vast te stellen hoe snel het alledaagse leven je meteen weer in zijn greep heeft. Hoezeer je ook terugkeert met een hoofd vol indrukken en een dosis nieuwe energie, ‘de mens die je eigenlijk zou willen zijn’ is meestal geen lang leven beschoren.

Nee, veranderd ben je niet. En de wereld die je heel even hebt geruild voor wat anders, is dat al evenmin. Deze tweede conclusie heb ik nooit met grotere weerzin getrokken dan vorige week, toen ik na een langer dan verwachte vakantie opnieuw op de werkvloer stond.

Verlengde reis

Nog een heel klein beetje in vakantiestemming was ik, want de vulkanische aswolk had ook mijn reis verlengd, met een weekend dat deels in Athene (zaterdag), deels in Rome (zondag) werd doorgebracht -een combinatie waar ik best mee kon leven. Maar het mocht niet baten. Enthousiasme ruimde in een mum van tijd plaats voor moedeloosheid op mijn eerste werkdag, de dag dat de regering viel. Weer maar eens viel. En weer maar eens over de eeuwige zelfde drie letters, alsof er in dit land niets wezenlijkers aan de orde is.

Zucht

Zucht. Dat is de enige reactie die ik nog kan opbrengen. Het schouwspel in de Wetstraat zou verontwaardiging en afkeer moeten wekken, maar het lijkt mijn kouwe kleren niet meer te raken -wat pas echt erg is. Ik zou een blog kunnen opdiepen die ik nog geen jaar geleden heb geschreven. Ik zou hem zelfs integraal kunnen recupereren, want er is geen spat veranderd, maar laat ik het maar bij enkele zinnen houden.

Akelig onbewogen

Ik durf het hier, temidden van gretige Wetstraatwatchers en drukke redacteurs bijna niet neer te schrijven, maar het gevoel dat bij mij overheerst als het gaat over de vaderlandse politiek, lijkt nog het meest op apathie.

De algehele opwinding die zich van de redactie meester maakt als er verkiezingen in aantocht zijn: ooit moet ik ze ook gevoeld hebben, maar nu blijf ik er akelig onbewogen bij.

De afgelopen maanden stonden banken op instorten en sneuvelden er jobs bij bosjes, maar een luttele vier weken voor de verkiezingen zijn dat nog altijd niet de thema’s, of liever het ene thema, dat de campagne overheerst.

Mijn apathie is jammer genoeg niet afgenomen -integendeel. Toen de eerste berichten over vervroegde verkiezingen binnenliepen, hoopte ik vurig dat ik dan opnieuw in het buitenland zou zijn. Helaas, een mens kan niet altijd ontsnappen aan de druilerige werkelijkheid. Maar ik zie nu al hartgrondig op tegen een zondag die naar alle waarschijnlijkheid weer maar eens een triomf wordt voor extremisme en antipolitiek.

@Allen: uw reactie is welkom als u zich houdt aan de regels voor deelname aan onze discussieforums – mod

De stedelijke middenklasse, zegen en vloek

01 / 04 / 2010

Vandaag komt ‘Soul kitchen’ uit in de bioscoop, de nieuwe film van Fatih Akin. Akin is de Turks-Duitse regisseur die een vijftal jaar geleden triomfeerde op de Berlinale met ‘Gegen die Wand’, een film als een stomp in de maag, die niemand onverschillig laat. Sindsdien ben ik benieuwd naar wat hij nog meer in petto heeft. Zijn jongste project blijkt eens een komedie te zijn. Een moedige keuze, want is dat niet het moeilijkste aller filmgenres?

Gentrificatie

‘Een stoute heimatfilm’, noemt Akin het zelf -maar dan wel een die zich afspeelt in de stad. Het thema dat hij bespeelt is zo oud als de straat, maar tegelijk brandend actueel. Hij heeft het over gentrificatie, een duur woord waarmee het proces wordt bedoeld waarbij vervallen stadsbuurten veranderen in hippe wijken, vaak ten koste van de oorspronkelijke bewoners. Het fenomeen leeft erg sterk in bijvoorbeeld Berlijn, waar de lage huurprijzen in de voormalige Oost-Duitse buurten volop jonge nieuwkomers aantrekken. Zij blazen de buurt nieuw leven in, maar naarmate populariteit van de wijk stijgt, schieten ook de prijzen de hoogte in. Gevolg: de oorspronkelijke bewoners worden uit de markt geprijsd.

Fatih Akin zag hetzelfde gebeuren in zijn eigen stad Hamburg. Hij woont nog altijd waar hij als kind al woonde, maar de volkswijk uit zijn jeugd is intussen een van de duurste buurten van de stad. Turkse kruidenierswinkeltjes hebben plaats gemaakt voor sushibars en biobakkers.

Terugkeer naar de stad

Hoewel wij op Brussel na geen echte grootsteden hebben, doet gentrificatie zich ook in onze steden voor. Bij ons gaat het niet zozeer om binnenstedelijk verhuisgedrag, maar eerder om de terugkeer naar de stad, een proces dat ook van bovenaf wordt gestuurd. Steden worden herdacht en heringericht om middengroepen aan te trekken, want in de laatste decennia waren die de stad meer en meer ontvlucht.

Het is een geslaagde onderneming, moet ik concluderen als ik mijn eigen stad Gent even als voorbeeld neem. Zó oud ben ik nu ook weer niet, maar ik heb de stad toch al redelijk zien veranderen. Toen ik nog op de middelbare school zat en zelfs later, op de universiteit, kon ik er steen en been over klagen dat er ’s avonds laat -zeg maar na de laatste filmvertoning- niéts te beleven viel. Goed, dat zal wel een jeugdige overdrijving geweest zijn, maar toch. Gent is de laatste jaren ontegensprekelijk levendiger en aantrekkelijker geworden.

Flikken

Het radionieuws bestond het ooit te verkondigen dat Gent vroeger nogal onopvallend was, maar dat ‘Flikken’ de stad op de kaart had gezet. ‘Flikken’, godbetert! Je zult maar in het stadsbestuur zitten en jarenlang ijveren voor een leefbare stedelijke omgeving!

Het komt in elk geval niet door ‘Flikken’ dat jongeren die hun diploma op zak hebben meer dan vroeger geneigd zijn om in hun studentenstad (Gent of een andere) te blijven hangen en daar ook hun verdere leven op te bouwen. Er is een nieuwe hoger opgeleide jonge middenklasse ontstaan die zich uitstekend thuis voelt in de stad. Statistisch gezien hoor ik daar vermoedelijk zelf bij. En toch, of misschien juist daarom, word ik er soms balorig van.

Fietskar of bakfiets

Ik kan het niet helpen, maar het nieuwe slag stedelijke tweeverdieners geeft me een wat ongemakkelijk gevoel, zoals ze voorbijpeddelen met hun kinderen in de fietskar of bakfiets, op weg naar de methodeschool. In mijn vroegere buurt waren ze bijzonder goed vertegenwoordigd, want dat was eigenlijk bij uitstek een voorbeeld van gentrificatie. Een vrij geslaagd voorbeeld zelfs: een keurige mix van Turkse gezinnen en Vlaamse tweeverdieners. Maar ‘mix’ is in feite niet het juiste woord, want zoveel deelden de twee groepen in de praktijk niet. Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik nooit Turkse kinderen in de methodeschool heb zien binnenwandelen, terwijl een schooltje nauwelijks een paar straten verderop alleen maar Mehmets en Aises telde. De nieuwe stedelijke middenklasse is naar eigen zeggen bewust in de volkswijken komen wonen en loopt hoog op met multiculturaliteit, maar toch maar tot op zekere hoogte. De eigen bloedjes zullen maar eens in een concentratieschool terechtkomen!

Niet dat de progressieve tweeverdiener niet geëngageerd is (als je bekommernis om het eigen welzijn engagement kunt noemen). Met ecologie en gezondheid is hij opmerkelijk gepreoccupeerd. Een beetje té zelfs, als je het mij vraagt, geoordeeld naar de onverzettelijkheid waarmee wordt tekeer gegaan tegen de sigaret. Het duurt niet lang meer of een roker is een marginaal -dat woord wordt toch al te pas en te onpas gebruikt voor iedereen die niet helemaal voldoet aan de rigoureuze normen van de nieuwe middenklasse.

Onslow

Terwijl ik ‘marginaal’ tik, moet ik ineens denken aan Onslow, de onverstoorbare man-in-marcelleke uit ‘Schone schijn’. Wordt het niet hoog tijd om een moderne versie van die serie te maken, nu ze toch tot vervelens toe is heruitgezonden? Ik zie nogal wat komisch potentieel in de nieuwe Hyacinth. Ze koopt enkel in de biowinkel, heeft een groentenabonnement, roept ‘potvolkoffie’ als ze vloekt in het bijzijn van haar kinderen en wijst gasten glimlachend maar onverbiddelijk de deur als ze een sigaret opsteken.

@Allen: uw reactie is welkom als u zich houdt aan de regels voor deelname aan onze discussieforums – mod

Maar eerst richting bioscoop: wie weet heeft Fatih Akin met zijn komedie over gentrificatie al een deel van de klus geklaard.

Treinbedenkingen

18 / 02 / 2010

Afgelopen maandag, kort na de ochtendspits, moest ik naar de Westhoek. Het sneeuwde, maar daar zat ik niet mee in. Ik had toch al beslist dat ik de auto aan de kant zou laten en met de trein zou reizen. Ik verheugde me zelfs een beetje op de rit. Niet één keer moeten overstappen en onderweg een wit landschap zien voorbijglijden: de dag kan slechter beginnen. ‘Het zal toverachtig zijn’, hoorde ik een andere reiziger zeggen -hij had er duidelijk nog meer zin in dan ik.

Zoveel positivisme werkt aanstekelijk, dus toen ik op het perron van Gent Sint-Pieters stond te nippen van een espresso in een kartonnen bekertje en de sneeuw in perfecte vlokken naar beneden kwam, bedacht ik dat ik wel eens een blog kon schrijven over de geneugten van het treinreizen. Het moet niet altijd gezanik over stiptheid zijn. Nog maar net had ik mijn voornemen gemaakt of ik kreeg een eerste telefoontje. Of ik het al gehoord had van de ramp in Buizingen?

De druk

Als twee treinen frontaal op elkaar zijn ingereden en er zeker achttien dodelijke slachtoffers te betreuren zijn, is het niet meer het moment om ongecompliceerd de voordelen van het spoor te bezingen. Het zou op z’n zachtst gezegd misplaatst zijn.

Maar de klachten over stiptheid, die de laatste maanden zowat een running gag waren geworden (ook op deze blogpagina’s), zijn dat nu ook. In ‘Terzake’ getuigde een treinbestuurder over de druk die elke dag op de schouders van zijn collega’s rust. ‘Als je 47 seconden te laat vertrekt, krijg je al telefoon van je overste’.

Anoniem

Waar is de tijd dat alle jongetjes machinist wilden worden? Ooit wellicht glamoureus, is het nu een van de meest anonieme beroepen die er zijn. Ik merk het bij mezelf: als ik het vliegtuig neem (wat niet vaak gebeurt want ik ben behept met een redelijke vliegangst), onderwerp ik de crew aan mijn meest argwanende blik. Is de piloot niet te jong? (lees: onervaren, onbezonnen). Is hij te oud? (functioneren zijn ogen nog wel naar behoren?). Straalt hij genoeg sérieux uit? Is hij uitgeslapen? Vragen die ik me nooit stel als de trein het station komt binnengereden. Dat lijkt vanzelf te gebeuren, alsof er geen machinist aan te pas komt. Nooit komt het bij me op om hem kritisch te taxeren. Ik vergeet eerlijk gezegd dat hij daar zit, achter zijn voorruit. Terwijl ook hij verantwoordelijk is voor honderden mensenlevens, maar ook hij moe kan zijn, gestresseerd of verstrooid.

Een rood sein

Of het drama van maandag het gevolg is van een menselijke fout, is nog niet duidelijk, maar dat de werkdruk voor het treinpersoneel gestegen is, daar kan ik me wel wat bij voorstellen. Je zult maar conducteur zijn, heb ik al meer dan eens gedacht, vooral wanneer ik op de pendeltrein van Brussel-Noord naar Gent-Dampoort zit. Zo’n tien kilometer voor hij Gent-Dampoort binnenrijdt, houdt hij een paar minuten halt. Dat is nagenoeg elke dag zo. Je moet geen spoorwegdeskundige zijn om af te leiden dat de trein daar van spoor wisselt en voor een rood sein staat. Toch heeft de conducteur instructies gekregen om dat feit ook elke dag aan de reizigers te melden. Maar hoe verontschuldigend zijn toon ook klinkt, zuchten en morren doen de ‘mondige consumenten’ toch.

Oh, ik zal niet beweren dat ik er nooit aan meedoe, dat ik nooit mijn geduld verlies als de pendeltrein, die ik niet eens zo vaak neem, te laat is. Maar het modieuze gekanker dat al een hele tijd aanhoudt, vind ik even irritant. Vaak komt het niet zozeer van de pendelaars zelf, maar van werknemers die na een tijd zijn overgeschakeld op de auto (al dan niet bedrijfswagen). De trein, da’s iets voor ambtenaartjes, is zo’n beetje de onderliggende teneur. Eerlijk, toen ik jaren geleden als prille werkende zowat elke ochtend op een forenzentrein zat, vond ik ook dat ik in een schrikbeeld was beland, toen ik rondom mij alleen maar slaapkoppen zag die wel rugzakjes meezeulden waarop dan tergend ‘Outdoor’ of ‘Adventure’ stond. Metro-boulot-dodo leek akelig dichtbij. (Met de auto naar het werk rijden, van oprit naar parkeerterrein en terug, is natuurlijk niet avontuurlijker, maar het biedt alvast dit voordeel: je vermijdt de confrontatie met wat wel eens je spiegelbeeld zou kunnen zijn: een ingedommelde kantoorslaaf).

Klagen

Hoedanook verwondert het me altijd dat ik veel minder hoor klagen over hoge benzineprijzen, autoverzekering- en onderhoudskosten, risico op ongelukken, en vooral files. Dat hoort erbij, vinden we blijkbaar, zonder morren. Alleen als sneeuw een monsterfile van meer dan 950 kilometer veroorzaakt, begint het te dagen dat de trein een alternatief was geweest. Stukken sneller op sneeuwdagen, en veiliger bovendien.

Die redenering zullen ook veel mensen maandag hebben gemaakt, toen het alweer eens sneeuwde en de monsterfile nog vers in het geheugen zat. Uitgerekend dan doet een treinramp zich voor. Over de oorzaak hebben we nog geen duidelijkheid. We weten alleen dat het veiligheidssysteem dat na de vorige treinramp in Pécrot was beloofd, negen jaar later nog niet algemeen is ingevoerd. Of dat dit drama had kunnen vermijden, is evenmin een uitgemaakte zaak. Eén ding is wel zeker: voor een veilig spoorwegnet zijn geen investeringen te veel. De trein heeft al een lang verleden. Kyoto indachtig, kan het niet anders of er wacht hem nog een lange toekomst.

@Allen:uw reactie is welkom als u zich houdt aan de regels voor deelname aan onze discussieforums – mod

Gainsbourg en de lessen Frans

04 / 02 / 2010

Kun je jezelf nog een filmfreak noemen als het maanden geleden is dat je een bioscoop binnenkwam? Het lijstje met films dat ik ab-so-luut wil zien blijft aangroeien, en zelfs van dvd’s kijken komt de laatste tijd niet veel in huis. Of ik dus ‘Gainsbourg, une vie héroique’ snel te zien zal krijgen, is nog maar de vraag. Ik troost me met de gedachte dat de biopic toch geen interessant filmgenre is. Een ‘de druiven zijn te zuur’-redenering, want eigenlijk ben ik wel benieuwd naar wat Joann Sfar, een striptekenaar, met zijn filmportret heeft aangevangen.

Leuk om volwassen te worden

Zijn verklaring voor zijn fascinatie voor Gainsbourg vind ik charmant. Als jongetje zag hij hem vaak op tv, brutaal, provocerend en altijd omringd door mooie vrouwen. ‘Hij was het soort man dat je liet geloven dat het leuk was om volwassen te worden’. De popcultuur heeft natuurlijk wel meer figuren die daarin slagen -dat maakt haar juist zo aantrekkelijk. Alleen lijken ze in de Angelsaksische wereld veel sterker vertegenwoordigd dan in de Franstalige.

Mignonne, allons voir …

Voor leerkrachten Frans is de release van ‘Gainsbourg, une vie héroique’ een cadeau, vind ik. Kunnen ze eindelijk eens laten zien dat ook de Franse cultuur rebels en hip kan zijn, want dat is iets wat middelbare scholieren nauwelijks kunnen geloven. Enfin, dat gold toch voor mij, maar ik heb dan ook twee opeenvolgende jaren lang een weinig inspirerende lerares Frans gehad. In haar lessen kwamen we chronologisch niet verder dan Rimbaud en Verlaine, waarbij de saillante details over hun verhouding ons natuurlijk werden onthouden. Wel kon ze vrij lyrisch doen over ‘Gargantua et Pantagruel’, maar een zestiende-eeuws verhaaltje over twee reuzen was iets wat me als vijftienjarige absoluut niet kon boeien. Ook moesten we Ronsard declameren (‘Mignonne, allons voir si la rose’ ik ken het nóg), erop lettend dat we de laatste lettergrepen niet inslikten, want dan klonken we als ‘des petits Belges’. Het meest eigentijdse Frans dat we te horen kregen, was een chanson van Joe Dassin, maar vergeleken met U2 en Sinéad O’Connor uit de lessen Engels viel ook dat een beetje tegen.

Het zou niet in het hoofd van mijn lerares Frans zijn opgekomen om ons mee te nemen naar een film over een relschopper als Gainsbourg, hoe zwierig die de Franse taal ook hanteerde. En dat die film gemaakt is door een striptekenaar, zou haar ook niet op het idee hebben gebracht om eens een boompje op te zetten over de geweldige Frans-Belgische striptraditie. Frans met Franquin: het was nochtans een welkome afwisseling geweest.

De Franse cultuur

Mijn lerares Frans was, dat hebt u begrepen, al een dame op leeftijd, bovendien opgegroeid in een Gents bourgeoismilieu en een tikje wereldvreemd. Ze wilde ons de echte klassiekers bijbrengen, en als ze minder oogkleppen had opgehad, zou ik achteraf zelfs durven te beweren dat dat haar misschien wel sierde. Alleen maakte ze een verkeerde inschatting: ze ging ervan uit dat wij sowieso nog goed vertrouwd waren met de Franse cultuur.

Dat dat niet het geval was, had ze natuurlijk moeten weten. De dominantie van het Frans is allang verleden tijd, zoals het overwicht van het Engels dat ooit ook wel eens zal zijn. Anderzijds: zó dwaas was de veronderstelling van die lerares nu ook weer niet. In een tweetalig (pardon, drietalig) land, ís het toch gewoon zonde dat er nog zo weinig kruisbestuiving is. We hebben een andere cultuur binnen handbereik, maar we doen er zo weinig mee. Uitwisselingen tussen Vlaanderen en Wallonië, in het onderwijs bijvoorbeeld: ze bestaan, maar veel te weinig. In plaats van Ronsard voor te dragen aan het schoolbord was ik met mijn klas liever een weekje les gaan volgen over de taalgrens. Ik had op die manier ongetwijfeld veel beter Frans geleerd. Ja, met het accent van een petit Belge weliswaar… Et alors?

Kleine ode aan Peter van de radio

21 / 01 / 2010

Een lang woon-werktraject: bijzonder bevorderlijk voor de levenskwaliteit zal het wel niet wezen. Gelukkig is een mens geneigd om zelfs in de sleur op zoek te gaan naar lichtpuntjes. Alle gezeur en geklaag over de NMBS ten spijt, zijn die nog het makkelijkst te vinden als je naar het werk spóórt. Een stipte trein, een vriendelijke conducteur, een amusant gesprek dat je kunt afluisteren of een meeslepend boek op schoot en je dag is al half geslaagd. Neem je daarentegen de auto, dan wordt je humeur grotendeels bepaald door één enkel ding: de radio.

Omdat ik de laatste paar jaar vaak avondshiften voor mijn rekening neem, ben ik vooral veroordeeld tot de auto -ik vertrek pas een eind na de middag, over files hoef ik alvast niet te klagen. Dat karretje van mij moet een van de laatste exemplaren zijn dat het nog moet stellen met een ouderwets cassettedeck, geen cd-speler. Veel heb je daar niet aan. Een stuk of vijf bandjes heb ik nog opgeduikeld, indertijd met veel geduld opgenomen. Hitparademuziek uit 1990, The Beatles en Mano Negra: daar moet ik het mee doen. Geen wonder dat ik vrij goed vertrouwd ben met de namiddagprogrammatie van zowat alle radionetten.

Niet Van de Veire, die andere Peter

Een vaste zender heb ik tijdens mijn routineuze autoritten niet. Meestal zwerf ik ongedurig van het ene naar het andere station, hopend op iets meezingbaars. Ik betrap er mezelf op dat ik regelmatig blijf hangen op Radio 2. Tussen 13 en 16 uur loopt daar ‘De topcollectie’, gepresenteerd door de Peter uit de titel. Nee, niet Van de Veire. Verhulst.

Zonder me er echt van bewust te zijn, blijk ik altijd weer bij diezelfde man uit te komen. Rond mijn zeventiende werd ik elke ochtend met hem wakker -althans met zijn stem. Opgewekt en zakelijk tegelijk (een zeldzame combinatie) verdreef hij mijn ochtendhumeur met platen van R.E.M. en Nirvana. Terwijl hij aan de telefoon hing met luisteraars, poetste ik mijn tanden en zocht ik mijn huiswerk bij elkaar. Peter Verhulst was de man van het ochtendblok op Studio Brussel. Die andere Peter, die datzelfde ochtendblok jaren later een maatje groter zou maken, zat toen nog op de schoolbanken. Of hij verkocht stofzuigers.

‘Mijn’ Peter ruilde de jongerenzender voor Radio 2 (met een omweg via Donna, maar toen ben ik hem even uit het oog verloren), de hectische ochtend voor een gezapiger moment, de namiddag. Ook míjn ritme is opgeschoven (om van mijn leeftijd niet te spreken). Kortom: switchend tussen radiostations ben ik mijn oude compagnon weer tegengekomen. Ik vond hem terug toen zijn programma nog ‘Goudzoekers’ heette en een spelletje bevatte waar ik snel fan van werd -natuurlijk omdat ik er, al zeg ik het zelf, altijd goed in scoorde. Tien intro’s herkennen die vlug na elkaar zijn gemonteerd: gecompliceerder moet een quiz niet zijn.

Luisteraars op hun gemak stellen

Het introspel is helaas samen met ‘Goudzoekers’ gesneuveld, maar opvolger ‘De topcollectie’ heeft nieuwe vaste afspraken met de luisteraar. In ‘De soundtrack van je leven’ bijvoorbeeld – intussen omgedoopt tot ‘De hit van je leven’ omdat de eerste formule toch net iets te ambitieus bleek- kiezen luisteraars liedjes die hun leven kleur hebben gegeven. Al komen sommigen niet verder dan ‘Dit was de openingsdans op ons huwelijk’, toch leveren verrassend veel verhaaltjes best mooie radio op. Dat is natuurlijk deels de verdienste van professionele Peter, die ook stuntelige luisteraars makkelijk op hun gemak stelt. Nooit schemert er dedain door in zijn commentaar, ook niet als de man of vrouw die hij aan de lijn heeft net een draak van een nummer heeft geselecteerd.

Er zijn nog vakmannen

Peter zelf houdt van goede ouwe rockmuziek, meen ik uit zijn interventies en zijn verleden te hebben begrepen. Al heb ik de indruk dat zijn programma de laatste tijd meer en meer wordt geïnfiltreerd door nu en dan een Vlaamse schlager, toch blijft de hoofdmoot gelukkig voorbehouden voor pop en rock uit de fifties, sixties, seventies en eighties. Zoals in het rubriekje van Guy De Pré met weetjes over een hit uit de jaren stillekes. In deze week van het Autosalon dist hij liedjes op die bolides bezingen, zodat ik de voorbije dagen ‘Little deuce coupe’ en ‘Little old lady from Pasadena’ kon meekwelen, en mocht kennismaken met oude countrynummers waarin trucks een hoofdrol spelen. Het kan veel slechter, denk ik dan.

Ja, er zijn nog vakmannen, zo klinkt een reclameslogan, ook al op de radio. Dat klopt. Zo’n vakman is Peter Verhulst. Hij wordt door niemand doodgeknuffeld, hij doet gewoon zijn werk, bedreven en met plezier. Op Radio 2. Als presentator mag je dan nog zo goed zijn, hip ben je niet. Als luisteraar trouwens ook niet. Maar dat laatste hoef ik me gelukkig niet meer aan te trekken. Geen zeventien meer zijn heeft ook zo z’n voordelen.

Een kookprogramma zonder poespas

07 / 01 / 2010

Ik weet niet hoe het met u zit, maar na twee weken van weliswaar exquis getafel mag het geschrans wat mij betreft nu wel even ophouden. Net nu het halve land de indigestie nabij is, komt tv aanzetten met alwéér twee programma’s die zich afspelen in de keuken: het kookprogramma van Wim Opbrouck en een fictieserie over een restaurant.

De Britse keukens

Kookprogramma’s zijn de afgelopen jaren wel érg populair geworden. Zoals ongeveer alles wat een hype wordt, kwamen ze aangewaaid uit de Angelsaksische wereld. Dat had eigenlijk argwaan moeten wekken, want Britten -het is algemeen geweten- mogen dan al goede tv-makers zijn, in de keuken scoren ze beduidend minder sterk. Gelukkig zijn ze zich daar zelf van bewust. De BBC was zo verstandig om voor nogal wat van zijn kookprogramma’s een beroep te doen op koks die wél zijn opgegroeid in een cultuur met een rijke culinaire traditie, zoals Antonio Carluccio en Ken Hom. Dat zij zo succesvol werden, dankten ze deels aan de gastronomische onkunde van het land waar ze werkten. ‘Hoe slechter de keuken van een land, hoe meer er naar kookprogramma’s wordt gekeken’, was hun verklaring.

Springlevend

Het is dus een beetje absurd dat een land van notoire lekkerbekken als het onze zich laat meeslepen door een rage uit een regio van culinaire nitwits. Nu ja, het succes van kookprogramma’s op de Vlaamse televisie zegt meer over de dominantie van de Angelsaksische (tv-)cultuur dan over onze eigen culinaire traditie. Die blijft gelukkig springlevend.

De Britten hebben de kookprogramma’s trouwens niet uitgevonden, ze hebben ze alleen een nieuw elan gegeven. Vroeger werd er op tv óók gekookt, maar nooit in prime time. Het waren namiddagprogramma’s voor gezellige grootmoeders die net de afwas hadden gedaan en al meteen inspiratie konden opdoen voor de maaltijd van de volgende dag. Zoiets.

Keukensnobisme

Wij koken lang niet zo vaak meer als onze oma’s, maar àls we het doen, pakken we er graag mee uit. Het hedendaagse snobisme draait helemaal rond koken en eten. AGA-fornuizen, stoomovens en espressomachines zijn de nieuwe statussymbolen, die je natuurlijk met gemak en kennis van zaken moet hanteren om écht indruk te maken. Aan tafel gaan de gesprekken bij voorkeur over wat op je bord ligt, en wie een van de exotische ingrediëntenten in een gerecht meteen herkent, maakt een bijzonder goede beurt. Maar geen nood: heb je als amateurkok eens geen inspiratie, dan zet je je gasten gewoon een garnalencocktail voor, dat heet vandaag ‘heerlijk retro’.

Mannen!

Ja, het moderne keukensnobisme kan me wel eens op de zenuwen werken, maar anderzijds zie ik er ook de positieve kanten van in: de nieuwe lichting amateurkoks die zo enthousiast de knoppen van het gasfornuis bedienen, zijn voor het merendeel mannen. Dat is dan weer een evolutie die ik alleen maar kan toejuichen, want zelf ben ik helaas verre van een keukenprinses (maar dat had u uit de enigszins gefrustreerde toon van de zinnen hierboven misschien al begrepen).

Sober en rustig

Ook de eerste amateurkoks die Wim Opbrouck voor de camera haalde in zijn nieuwe kookprogramma waren mannen: de ambitieuze maar precies daardoor aandoenlijke hobbykok Karl Vannieuwkerke en de juist erg nonchalante Jean Blaute. ‘In de keuken’ was op een aantal vlakken trouwens een verademing: het was een sober, rustig programma, zoals een kookprogramma eigenlijk hoort te zijn. ‘Niet tegen de klok, niet in 1000 seconden en geen wedstrijd’, zoals de maker zelf zei. Maar ‘het beste kookprogramma van de wereld’, waar Opbrouck naar streefde, was het nu ook weer niet. Als een Belgische tv-kok dààrin slaagt, dan hoop ik dat het programma stante pede aan Groot-Brittannië wordt verkocht. Maar voorlopig kunnen we het wel even zonder kookprogramma’s stellen. Met eten is het zoals met alle goede dingen des levens: geniet ervan zonder er te veel poespas rond te verkopen.

Blog over Bloch

17 / 12 / 2009

Als het jaar op zijn laatste benen loopt, loert nostalgie om elke hoek. Omkijken, nooit doen we het met zoveel overgave als in de donkere maand december. Terugblikken, niet alleen op het voorbije jaar en decennium, ook op lang vervlogen kindertijden, toen “eindejaarsdagen” en “feestdagen” nog synoniemen leken te zijn.

Nostalgie wordt in deze periode makkelijk kitsch, zeker in reclamespots. Trouwens, als reclamemakers commercials van jaren geleden zouden opdiepen, we zouden het niet eens in de gaten hebben. Alles verandert, alleen de kersttijd blijft er geruststellend hetzelfde uitzien.

Nostalgie

Van sommige dingen zou je willen dat ze even onveranderlijk waren. Zo denk ik in deze periode van koopzondagen en drukke winkelstraten weemoedig terug aan een Gents huis dat er altijd leek te zijn geweest en altijd leek te zullen blijven: patisserie Bloch. Zo’n vaste waarde waarvan elke stad er op zijn minst wel een heeft. Niets minder dan een donderslag bij heldere hemel was het, toen de meer dan honderd jaar oude familiezaak aankondigde dat ze haar deuren zou sluiten.

Nog geen twee jaar later is de karakteristieke gevel van de “Patisserie Alsacienne” gesneuveld voor een etalageraam van dertien in een dozijn. Nu het instituut Bloch verdwenen is, is de Veldstraat overgeleverd aan de totale banaliteit, karakterloos als zoveel winkelstraten overal ter wereld.

De geur van kaneel en amandelen

Ik zou er veel geld voor over hebben om nog eens de deur van bakker Bloch open te zwaaien, de geur van kaneel en amandelen op te snuiven en een krap plaatsje te zoeken in de altijd goed gevulde verbruikszaal. Het interieur bleef zolang ik me kan herinneren gewoon hetzelfde en ook de koffiekannetjes, die zelfs na een kwartier nog zo gloeiend heet waren dat je ze met een servet moest vasthouden, waren nog die van de begindagen. Typerend was het geroezemoes, want natuurlijk stond er bij Bloch geen muziek op. Geen schreeuwerig gejengel zoals in de winkelketens die zijn buren waren, maar ook niet de klassieke muziek of wereldmuziek waarmee sommige uitbaters hun tearoom enige standing denken te geven.

Ik waande me in Wenen

Om de een of andere reden waande ik me altijd even in een koffiehuis in een Midden-Europese stad, Wenen zeg maar, of Bratislava. Maar de klanten bij Bloch spraken gewoon Gents. Of Frans. Of de twee door elkaar. Er was een tijd, misschien wel al twintig jaar geleden, dat dat mengtaaltje mij kon irriteren. Vandaag heb ik er soms heimwee naar, net als naar die hele sfeer van ouderwetse burgerlijkheid die uiteindelijk een stuk ruimhartiger bleek dan veel dat in de plaats kwam.

Over de specialiteiten van het huis zal ik maar niet beginnen, de koffiekoeken met melodieuze namen als mayetten en grenobletten. Allemaal artisanaal bereid, natuurlijk, maar dat was een vanzelfsprekendheid waaraan geen woorden werden verspild. Woorden verspillen deed het personeel van Bloch trouwens toch niet. De serveersters waren even kortaf als hun baas, maar vreemd genoeg droeg dat net bij tot de charme van de zaak. Van wie/wat karakter heeft, kun je nu eenmaal net iets méér hebben.

Jeugdbeweging? Toch liever een hangjongere!

04 / 12 / 2009

Toen ik twee weken geleden mijn vorige blog afsloot met een paragraafje over integratiedebatten, dwaalden mijn gedachten af naar dat ene integratiedebat waarbij ik zelf in het panel mocht zitten. Hoewel ik daar natuurlijk niet zat als allochtone ervaringsdeskundige, heb ik juist tijdens dat gesprek scherp aangevoeld hoe hinderlijk het moet zijn om altijd maar te horen dat je anders bent.

Het uitgangspunt van het colloquium was klassiek: meer dan veertig jaar na de komst van de eerste Turkse en Marokkaanse gastarbeiders leven autochtonen en allochtonen nog steeds meer naast elkaar dan met elkaar. Hoe kan de kloof gedicht worden? Een van de studenten in het publiek opperde dat het goed zou zijn als allochtone jongeren de weg naar de jeugdbeweging zouden vinden. ‘Wij doen daar met de chiro inspanningen voor, maar aanslaan doen ze niet’. Terwijl er hier en daar instemmend gemompel klonk, voelde ik me ineens helemaal aan de kant van de allochtoon staan. Vreemde roots heb ik voor zover ik weet niet, maar affiniteit met chiro en aanverwanten nog veel minder.

Eén pot nat

Ik weet dat enthousiaste leden zich graag verliezen in discussies over wat nu beter is: scouts of chiro. Voor wie niéts heeft met jeugdbewegingen, is het simpel: het is één pot nat. Mij is de padvinderij volslagen vreemd, het zit me eenvoudigweg niet in de genen. Van mijn familieleden heeft zo goed als niemand ooit deel uitgemaakt van een jeugdbeweging, al hebben met name al mijn gezinsgenoten daartoe halfslachtige pogingen ondernomen. Vader marcheerde gedurende pakweg twee, drie weken mee met de Rode Valken, moeder en zus kwamen in het spoor van een vriendinnetje bij respectievelijk Chiro en Gidsen terecht -passages die nauwelijks langer standhielden.

Het belangrijkste argument om aan te sluiten, was het uniform -althans voor mijn vader en zus, niet voor mijn moeder, die veroordeeld was tot de hoogst onflatterende overgooier van de chiro. Om welke groepering het ook ging: eens de bekoring van het uniform was uitgewerkt (en dat was snel), had elk van de drie het wel gehàd met de jeugdbeweging. De gestandaardiseerde spelletjes, de groet aan de vlag, het aanheffen van het gidsenlied: het was er allemaal te veel aan.

Helemaal ontsnapt

Ik ben de enige van het gezin die er helemaal aan ontsnapt is, maar ik denk dat ik me wel wat kan voorstellen bij de zondagnamiddagen in een scoutslokaal, afgaand op de twee (!) dagen vakantiekolonie die ik in mijn prille jeugd heb moeten doorstaan. Zonovergoten namiddagen brachten wij daar door met gruwelijke spelletjes en het ineen knutselen van papieren molentjes. Wat was ik blij dat ik de rest van de vakantie gewoon thuis mocht blijven, lanterfantend tot ik inspiratie kreeg voor een nieuw Playmobilscenario.

Open blik

Ik geloof dat er weinig land(sdel)en zijn waar de jeugdbeweging even ingeburgerd en populair is als in Vlaanderen. En ook wel, dat moet ik haar nageven, waar haar van oorsprong militaristische karakter in dezelfde mate heeft plaatsgemaakt voor een open blik. Als huwelijksbureau kent de jeugdbeweging haar gelijke niet, en ook als old boys network is ze bijzonder efficiënt. Voor een cv doet een scouts- of chiroverleden wonderen.

Ik ken chefs die (net als een oud-premier) bij de keuze tussen twee evenwaardige kandidaten uitdrukkelijk de voorkeur gaven aan de oud-scout. De vereiste sociale vaardigheden, weet je wel. Verantwoordelijkheidszin, groepsgevoel. Ja, ongetwijfeld zijn dat kwaliteiten die in de jeugdbeweging worden aangescherpt, dat zal ik niet eens ontkennen. Daartegenover staan er andere, óók bewonderenswaardige eigenschappen, die in de jeugdbeweging veel minder worden gestimuleerd omdat het collectieve daar nu eenmaal voorrang krijgt op het individuele.

Echte creativeit, bijvoorbeeld (georganiseerd geknutsel valt daar niet onder). Of onafhankelijk denken en handelen, buiten de groep om, of zelfs tegen de stroom in. Maar laat dat nu net een eigenschap zijn die in het bedrijfsleven niet hoog aangeschreven staat.

Integreren = conformeren

Eigenlijk is het simpel. Wie wil integreren, zeg maar zich conformeren, kan niets beter doen dan zich een lidkaart van de jeugdbeweging aanschaffen. Het komt, zoals zowat altijd, neer op angst voor vrijheid. ‘Zo hou je ze van de straat’ is een argument dat je ook vandaag nog hoort. De jeugdbeweging: gedroomde remedie tegen hangjongeren. Alleen hebben die hangjongeren net geen zin in regeltjes en georganiseerd tijdverdrijf. Dat is altijd al zo geweest, zelfs toen het woord ‘hangjongeren’ nog niet bestond, maar ze nog wel met veel méér waren, de kinderen uit bescheidener milieus, die op straat speelden en vochten.

Want laten we wel wezen, de jeugdbeweging was en is een middenklassefenomeen, in Vlaanderen bovendien overwegend katholiek. Nogal logisch dat jongeren uit andere milieus, allochtoon of niet, zich daar niet toe aangesproken voelen. Het ons-kent-ons-sfeertje van scouts en chiro wordt ook nog eens versterkt door het uniform en een jargon van totems en termen die alleen voor ingewijden verstaanbaar zijn. Het is een heel eigen cultuur, die wat mij betreft mag bloeien en floreren. Zolang ik er zelf maar niet hoef bij te horen. Was ik zelf nog een tiener, dan zou ik het wel weten: dan liever een hangjongere.